Met mijn poten in de modder

Toen ik jaren geleden als boekvertaler begon, heb ik even in de veronderstelling verkeerd dat ik het paradijs op aarde had ontdekt. Ik had daarvoor als technisch vertaler en redacteur bij een vertaalbureau gewerkt, waar ik de hele dag met tien klusjes tegelijk bezig was en voortdurend uit mijn concentratie werd gehaald. Nu kon ik weken- en maandenlang in alle rust aan één boek werken zonder dat er steeds aan mijn hoofd werd gezeurd. Heerlijk!

De euforie hield stand tot het moment dat ik voor het eerst correcties van een persklaarmaker kreeg. Ik had wel in het contract gelezen dat ik correcties moest beoordelen en invoeren, maar had toen luchthartig gedacht dat dat wel los zou lopen.

Voor wie de gang van zaken rond de totstandkoming van een boekvertaling niet kent moet ik dat even toelichten. Een boekvertaling ontstaat in een aantal duidelijk van elkaar gescheiden fasen.

Van vertaalopdracht naar boek
Eerst neemt de vertaler de opdracht tot vertaling van een boek of manuscript aan, waarna hij de vertaling vervaardigt, de daarbij optredende problemen al dan niet met hulp van anderen oplost en de tekst vervolgens nog eens helemaal nakijkt en gladstrijkt. Daarna gaat het bestand met het eindproduct naar de uitgeverij, die de tekst uitprint en ter hand stelt aan een persklaarmaker.

De persklaarmaker neemt het manuscript nauwgezet door en voorziet het van commentaar op papier. De conventie daarbij is dat fouten met rood worden aangegeven en suggesties voor verbeteringen met potlood. Als de hele tekst is nagekeken, stuurt de persklaarmaker het manuscript terug naar de uitgever, die het weer aan de vertaler ter hand stelt.

De vertaler mag nu de correcties en voorstellen van de persklaarmaker bekijken en naar eigen inzicht overnemen of verwerpen. De vertaler brengt de correcties die hij wil uitvoeren in zijn eigen tekstbestand aan en stuurt dat na afloop weer naar de uitgever.

Op grond van dit bestand wordt er een eerste drukproef gemaakt. Deze wordt gewoonlijk gecorrigeerd door zowel de vertaler als een redacteur op de uitgeverij. Daarna wordt er een tweede proef gemaakt, maar die krijgt de vertaler meestal niet meer te zien.

Boekmaag
Vanuit de vertaler bezien komt de tekst dus driemaal langs. Eerst als hij hem maakt en zelf al wikkend en wegend nakijkt en steeds verder verbetert, daarna als de correcties van de persklaarmaker binnenkomen, en ten slotte als de drukproef komt. Telkens ‘verteert’ de vertaler de tekst met een nieuwe ‘maag’ (de laatste keer uiteraard met zijn boekmaag), en al doende krijgt het boek steeds meer zijn definitieve vorm.

Ik vind twee van die drie fasen geweldig leuk: het maken van de vertaling en het lezen van de drukproef. Vertalen is mijn lust en mijn leven, en het lezen van de proef is leuk omdat je dan in feite al het kant-en-klare boek leest – je ziet resultaat van je werk.

Rode pen en potlood
Maar die persklaarfase, die zou er niet moeten zijn. Ik háát die stapel papier met al die krabbels met rode pen en potlood. Ik word er chagrijnig van, ga aan álles twijfelen en heb last van slapeloosheid zolang die rotklus niet af is. Het is het enige aspect van mijn werk dat echt als ‘werk’ voelt, als iets wat ik uitsluitend doe omdat het nu eenmaal moet gebeuren.

Het is net alsof ik in een huis waar ik maandenlang zorgvuldig aan gebouwd heb, bezoek krijg van een inspecteur van de toekomstige bewoner, die onmiddellijk op alles aanmerkingen begint te maken. Wat zijn die kozijnen lelijk afgewerkt! Was er niet een andere keuken besteld? De badkuip zou toch dáár komen? En die twee stopcontacten daar, die zitten te hoog. Geagiteerd beent het akelige sujet door al die mij zo dierbare vertrekken, zonder oog voor alles wat wél goed is. De perfect geplaatste dubbele ramen, de prachtig strakke radiatoren – geen woord zegt hij erover! Ik sta voor mijn gevoel met mijn poten in de modder.

Het eigenaardigste van het invoeren van de correcties is dat je in een soort dialoog met de persklaarmaker bent. Het is alleen een erg eenzijdige dialoog. De vertaler kan niets terugzeggen, hij heeft de opmerkingen van de persklaarmaker maar te slikken. Hoe hard hij ook schreeuwt, de persklaarmaker hoort hem toch niet. Het lijkt een beetje op het ‘gesprek’ dat de tandarts met je voert terwijl hij in je mond aan het grutten is. Hij is de hele tijd opgewekt aan het babbelen, maar jij kunt alleen maar gesmoorde, ongearticuleerde kreten slaken.

Soorten persklaarmakers
Het probleem met persklaarmakers is dat er zoveel verschillende soorten zijn. Een goede persklaarmaker maakt zinnige kanttekeningen bij een vertaling, waar de uiteindelijke tekst beter van wordt en die de vertaler op relevante punten tot nadenken en heroverwegen aanzetten. De meeste persklaarmakers doen dat gelukkig ook. Maar velen laten het daar niet bij.

Zo heb je de stokpaardberijders. Zij vinden dat het half zes moet zijn en beslist niet halfzes, dat je nooit rennen mag gebruiken maar uitsluitend hollen, dat je schreeuwen te allen tijde dient te vermijden – roepen is het juiste woord, onthoud dat nou eens! Dat wil zeggen: tot je volgende vertaling. Dan schrijf je braaf half zes, en kalken zij nijdig in de marge dat je nou toch wel eens had mogen weten dat het halfzes is.

Dan heb je de gladstrijker, de persklaarmaker die elke tekst door een soort brievenbus van genormeerde afmetingen duwt en er een kleur- en smakeloos standaard-Nederlands van maakt, een middle-of-the-roadtaal waar de honden geen brood van lusten. Heb je in een erotische scène in een literair werk een zin neergeschreven waarin voorkomt: zij wilde hem omarmen, ombenen, dan zet de gladstrijker dadelijk een zorgelijk gezicht. Hij omcirkelt het woord ombenen en schrijft ernaast: ‘Volgens Van Dale weinig gebruikt!’ Of bij een moeilijk woord: ‘Dat kent toch geen mens!’ Je herkent de toon van de strenge schooljuffrouw. Ze heeft het je nu al zo vaak geduldig uitgelegd, en nóg doe je het fout!

De niet-begrijpende persklaarmaker, ook heel erg. Die de toon of de stijl van het boek niet snapt of niks heeft met de periode waarin het speelt. Of die geen gevoel voor humor heeft en grappen doodserieus met rood gaat zitten verbeteren. In een door mij vertaald boek waarvan de hoofdpersoon aan één stuk door in woordspelingen en kwinkslagen sprak, stond op een gegeven moment de zin: Ik voelde me net een ram – maar dan een wijfjesram of een babyram. De persklaarmaker had wijfjesram en babyram met rood doorgehaald en er ‘ooi’ en ‘lam’ boven geschreven. (In het Engels stond er: a female ram or a baby ram.)

En dan de geërgerde persklaarmaker, die opmerkingen over de inhoud van het boek in de kantlijn schrijft: ‘Eet hij dat? Dat is toch hartstikke ongezond!‘ Of: ‘Gaan ze nou alwéér met elkaar naar bed? Niet geloofwaardig!’ Er klinkt iets verwijtends in door: had je dit nou niet kunnen vermijden?

En dan heb je nog de bemoeizuchtige persklaarmaker: deze gebruikt de rode pen zeer spaarzaam, maar heeft bij zowat elke zin een suggestie voor verbetering. Vaak is de bemoeizuchtige persklaarmaker tevens een stokpaardberijder. Eigenlijk had hij het boek liever zelf willen vertalen – dan was het een stuk beter geworden.

En ten slotte heb je dan nog de persklaarmaker die zelf spel- en grammaticale fouten maakt. Die Ik gaf het hun ‘verbetert’ tot Ik gaf het hen en er voor alle zekerheid ook nog bij schrijft dat het hem verstandig lijkt dat je dat ‘veranderd’. Als je zo’n exemplaar treft, past slechts een verslagen stilzwijgen.

Maar als het gecorrigeerde bestand de deur uit is, wauw – dan waan je je weer even in het paradijs op aarde!

Tags: ,

  1. Geweldig stuk, Wim, bedankt. Precies wat ik op de maandagochtend nodig had om weer met frisse moed aan de worsteling met mijn persklaarmaker te beginnen!
    groet,
    Mieke

  2. Wim, wat heb je prachtig onder woorden gebracht waar ik de afgelopen twee weken mee heb geworsteld: twee boeken achter elkaar terug van een persklaarmaker… Tel uit je winst. Winst? Ja, toch wel, want uiteindelijk knapt de tekst op van dat (vaak onnodige) gevit. Je wordt namelijk gedwongen nog eens te kijken of je stopcontacten – om in jouw beeldspraak te blijven – inderdaad wel op de juiste plaats zitten. Geen slechte zaak als je de vertaling in je eentje hebt ‘gebouwd’.
    Op gevaar af dat ik in het anekdotische blijf steken één opmerking van de persklaarmaker waar best om te lachen valt. Bij een tongzoenscène was in de kantlijn geschreven: ‘Dat vind ik toch zó vies!’

  3. Wat een heerlijk verhaal. Ik denk dat iedere vertaler je lijstje voorbeelden moeiteloos kan aanvullen met positieve én negatieve ervaringen. Ik ga je verhaal uitprinten en op mijn prikbord hangen. Dan kan ik er nog even wat langer van genieten.

  4. Heerlijk om te lezen, Wim. Zelfs na vijftig boeken wil het nog steeds niet wennen dat je je vertaling, jóuw kunstwerk waar je je met hart en ziel aan hebt gegeven, waar je maanden op hebt zitten broeden, terugkrijgt als betrof het een schriftelijke overhoring op school, voozien van rode strepen en giftige opmerkingen. Ik zal de eerste keer dat me dat overkwam nooit vergeten. Er borrelden allerlei emoties in me op en met kromme tenen en samengeknepen billen van gêne bladerde ik de tekst door, diep verontwaardigd. Welke anonieme omhooggevallen mavo-trut had het lef gehad om zo met mijn werk om te gaan!? Maar ook: dit overkomt vast mij alleen, misschien is het toch niet zo’n goeie vertaling…
    Inmiddels weet ik beter, maar leuk is het nooit geworden en, wat je zegt, dat tandartsstoelgevoel is wel het meest frustrerend. Ik zou zó graag eens in discussie gaan met de anonymus die met een pennenstreek die oplossing waar ik nachten van heb wakker gelegen durft te annuleren.
    Gelukkig heb ik bij mijn vorige boek mogen ervaren dat er positieve uitzonderingen zijn: een pkm die vrijwel uitsluitend zinnige dingen had toe te voegen, verstandige vragen stelde en zuinig was met het rode potlood. Ook díe zou je willen kennen, al was het maar om hem/haar een bedankmail te sturen. Ik heb in ieder geval de uitgever laten weten dat ik er erg blij mee was, en mocht lijden dat die pkm bij iedere volgende vertaling met me mee reisde.

  5. Geweldig! Je schetst precies waar ik tegenop zie en bevestigt daarmee gelijk weer even dat ik niet knettergek ben, of althans, niet de enige ben die knettergek is. Zo zou je het ook kunnen zien….

    De literaire non-fictie van 470.000 woorden (in 6 maanden, jawel) waar ik nu mee bezig ben, zit vol uiterst technisch jargon dat vaak net lijkt op een gewoon woord, maar daar dan toch een klein beetje van moet afwijken (theologie). Bovendien is de schrijver een Oxford Don met de bijpassende tongue-in-cheek. Dat wordt dus een drama!

  6. Dat hoeft toch geen drama te worden? Als je de aantekeningen van zulke dingen t.z.t. met je vertaling meestuurt, werkt dat voor een persklaarmaker wel zo prettig. Die hoeft dan minder op te zoeken, minder vraagtekens en kringeltjes te zetten: voor beide partijen dus minder overbodig werk en minder ergernis.
    In een geval als dit lijkt contact met de persklaarmaker me onontbeerlijk.

  7. Nou, daar sta ik natuurlijk sowieso voor open, dus we zien wel.

  8. PS:

    Het bleek overigens een fantastische persklaarmaker te zijn met veel respect voor mijn werk en veel verstand van zaken of gepaste voorzichtigheid. Lof!

Antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *


*