Literaire vertalingen uit zogenaamde ‘kleine’ talen lijken nog zeldzamer te worden dan ze al zijn. Op universiteiten verdwijnen steeds meer kleine talen. En zo dreigt de kruisbestuiving van verschillende culturen steeds meer beperkt te worden tot die van de grote talen. Diversiteit staat niet alleen in de natuur onder druk, maar ook in de literatuur, in de cultuur in brede zin.
Om daar iets aan te doen gaat literair tijdschrift Terras vertaalcellen oprichten: samenwerkingsverbanden van een kenner van een kleine taal met een ervaren vertaler, een beginnende vertaler en een redacteur. Hier kun je daar meer over lezen: https://terras.substack.com/p/terras-gaat-vertaalcellen-inrichten

Waarom voor de benaming vertaalcéllen is gekozen, wordt niet direct uit de doeken gedaan. Het roept allerlei associaties op, van een monnikencel tot een communistische cel tot een viruscel. Het treffendste is vermoedelijk de titel die Vestdijk gaf aan zijn beschouwing over aard en wezen van de poëzie: de glanzende kiemcel. Dat hopen de vertaalcellen ook te worden.



![Katrien[vertalen-computers]](https://www.boekvertalers.nl/weblog/wp-content/uploads/2014/10/Katrienvertalen-computers-255x300.jpg)
Al voordat ik aan de Vertalersvakschool was begonnen, wist ik wat ik uiteindelijk als eindvertaling wilde inleveren: een fragment uit The Manual of Detection van Jedediah Berry. Sinds dat boek toevallig op mijn pad kwam toen ik in 2007 tijdelijk iemand bij een uitgeverij verving, kon ik er niet over uit dat geen enkele uitgeverij in Nederland het wilde of durfde uitgeven. En dat terwijl ik zo vaak (als persklaarmaker) boeken onder ogen krijg waarvan ik denk: voor wie, waarom, waartoe? Het paste niet in het fonds van de uitgeverij waar ik zat, maar waarom hapte geen enkele andere Nederlandse uitgever toe? Andere landen zagen het wel zitten: in Portugal, Duitsland, Frankrijk, Italie, Spanje, Turkije, Rusland en Japan verschenen vertalingen. Maar in Nederland bleef het stil.
Like many Britons of my generation, I am virtually a monoglot. I was taught French at school but taught so badly that I had no confidence either in speaking or reading the language; essentially, it was taught to me as an extinct language, like Latin, and no acknowledgement was made of the fact that, within visible distance of our shoreline, millions of happy Frenchmen and women were chatting away.
For the past year I have had the good fortune to legitimately engross myself in what is to me the most compelling of novels, translating Hilary Mantel’s Bring up the Bodies, the sequel to 2009 Booker Prize Winner Wolf Hall. The most compelling novels do have a habit of providing ample scope for research, leading you on winding paths outside the pages of the book in order to know what exactly an author is alluding at and how to best convey it in the target language. And though a great deal can be found on the Internet, some particularities will remain obscure: No virtual tour will give you a clear view of roof constructions, palace kitchens, gates or stabling facilities. Which hardly ever presents problems; descriptions usually allow for general wordings. Bring up the Bodies, or rather its protagonist Cromwell, does not. By the time I started grumbling about the ‘preposterous lack of information on the Internet’, I thought it best to go over and have a look myself, and if possible, to discuss everything that still puzzled me about the text with Ms Mantel. So I (timidly but hopefully) applied to the Dutch Foundation of Literature for a travel grant, which met with generous approval. 
De oude wegen: een voetreis van Robert Macfarlane, vertaald door Nico Groen en Marijke Versluys, uitgegeven bij