Liedjes vertalen om zelf te spelen en te zingen – dat had ik alweer een hele tijd niet gedaan. Totdat er onlangs op een vrijdagavond op Facebook een kanonnade aan oudere Franse chansons langskwam, waaronder Il venait d’avoit dix-huit ans van Dalida en Le bel âge van Barbara. Twee inmiddels overleden zangeressen die optraden onder een verzonnen voornaam zonder achternaam. Twee liedjes waarin de ik-figuur met weemoed en een zekere vervreemding een cougar-ervaring evalueert, al heette dat toen nog niet zo en al was er in die tijd meer moed voor nodig om zoiets te zingen dan nu.
Vooral voor Barbara heb ik nog steeds een zwak, al is de vroegere puberale adoratie verdwenen en herken ik tegenwoordig ook haar tekstuele beperkingen. Maar door de melancholieke melodie en de sfeer die het lied bij me opriep kreeg ik ineens de geest: ik moest en zou meteen een pianobegeleiding in elkaar sleutelen en een vertaling maken die op de melodie paste. Tot diep in de nacht was ik fanatiek in de weer en de volgende dag heeft Wim Scherpenisse het resultaat opgenomen en van stichtelijke illustratiën voorzien. Verder lezen Barbara vertalen

Op maandag 21 september nam vertaalster Mari Alföldy in Den Haag op de ambassade van Hongarije uit handen van de ambassadeur, dr. Iván Udvardi, het Gouden Kruis van Verdienste van de Republiek Hongarije in ontvangst.
Het ogenblik is daar: je vertaling ligt in de winkel! Na maandenlange intensieve omgang met alle personages (die je inmiddels intiemer lijkt te kennen dan je eigen vrienden), een interessante mailwisseling met auteur en persklaarmaker over allerlei details en een laatste kritische lezing van de drukproeven, ligt daar dan eindelijk een boek.
In Vertalië wordt, zoals u inmiddels weet, veel geklaagd over de persklaarmaker. Het zou om een zeer lage diersoort gaan, door uitgevers ingezet om het werk van de deskundige, toegewijde vertaler met lelijke, onterechte strepen te ontsieren en in de kantlijn te voorzien van opmerkingen die getuigen van een totaal gebrek aan intelligentie, eruditie, inzicht, aandacht en gevoel voor humor. Dit met het oog op de gemiddelde lezer, van wie iedereen weet dat het hem ten enenmale ontbreekt aan intelligentie, eruditie, inzicht, aandacht en gevoel voor humor. Voor deze lezer moet de tekst geschikt worden gemaakt – door een soortgenoot. Het spreekt vanzelf dat die soortgenoot daarvoor niet meer dan een grijpstuiver hoeft te ontvangen, want wat eet zo’n beest nou helemaal? Onverteerbare zinnen die niemand blieft en een scheutje gal of azijn op zijn tijd, meer niet. En daar mogen deze dieren heel blij mee zijn, want ze kunnen niets, anders gingen ze wel wat anders doen. Andermans werk afkatten, dat is het enige waar ze goed in zijn.
Vertalen is de meest intense vorm van close-reading die er bestaat. Albert Verwey zei het al: ‘Zoodra men het in vreemde taal geschrevene zoo indringend leest dat men niet laten kan het na te zeggen in de eigene, is er de vertaling.’ Bovendien steekt een vertaler van bijna elk boek dat hij vertaalt iets op. Soms maakt hij kennis met een nieuw aspect van zijn beroep of van de letteren in het algemeen, soms met heel andere dingen. Voor sommige boeken moet hij veel onderzoek doen: welk gereedschap gebruikte een leerlooier in Engeland in de veertiende eeuw, bestond dat elders ook en hoe heet het in het Nederlands? Hoe werd een bepaalde bewerking genoemd en hoe werd die uitgevoerd? Hoe werden tijdens de Chinese Culturele Revolutie de bijeenkomsten genoemd waarbij veroordeelde politieke gevangenen aan het volk werden getoond – bestond er in die periode in de Nederlandse pers consensus over een bepaalde Nederlandse term? Hoe wordt in de wijsbegeerte een bepaald begrip genoemd, welke van de gevonden termen is in deze context de juiste, en waarom? Ook een vertaler die zich niet specialiseert, stuit geregeld op teksten waarin dergelijke kwesties aan de orde komen.
Gelukkig komt het niet vaak voor, maar soms wordt een vertaler benaderd met het verzoek een boek te vertalen waarvan hij de strekking bedenkelijk vindt. Bedenkelijkheid bestaat echter in soorten en maten. Wat voor de een beslist niet door de beugel kan, vindt de ander hoogstens onschadelijke onzin. Wat in de ogen van de een onbewijsbare en zelfs gevaarlijke kletskoek is, vertegenwoordigt voor de ander zijn diepste levensovertuiging. Er zijn natuurlijk extreme gevallen. Er zullen bijvoorbeeld niet veel vertalers zijn die zonder een spier te vertrekken aan een hervertaling van Mein Kampf zouden beginnen, gesteld dat die in Nederland op de markt mocht worden gebracht. Dat is duidelijk genoeg, al zou men kunnen aanvoeren dat het publiek ook van dat boek moet kunnen kennisnemen om zelf te kunnen oordelen waarom het verwerpelijk is, en bovendien is er via internet vast wel aan te komen.