De leerschool (2)

Gelauff[Chili]Engels, dat lag voor de hand. Godsdienst met een beetje moeite ook nog wel, al moest ik mijn theologie nog doen. Acht jaar seminarie was niet ongemerkt aan me voorbijgegaan. Met geschiedenis lag het tikje een anders. De vanuit Europees respectievelijk Nederlands perspectief gegeven geschiedenislessen die ikzelf had genoten, waren de slechtst mogelijke basis om kinderen tussen de zes en de twaalf wegwijs te maken in de Chileense geschiedenis. Maar het waren wel de vakken waarmee ik in dat eerste jaar werd belast. Ik zweette peentjes, dat kun je wel zeggen. Wat wist ik, om maar wat te noemen, over de Araucanen, de inheemse bevolking ten tijde van de Spaanse inval, over de heldhaftige Caupolicán (gepolijste vuursteen) en zijn luitenant Lautaro (snelle havik) die tot op het laatst stand hielden tegen de vreemd uitgedoste mannen te paard, over de veroveraar Pedro de Valdivia die wel slecht maar ook weer niet zo slecht was? En de lieverds waren zelf ook niet erg behulpzaam. Keken tientallen ogen me aanvankelijk glazig aan vanwege mijn ondoorgrondelijk taalgebruik, het volgende moment barstte iedereen in lachen uit omdat ik een naam verhaspelde (zo zijn Araucanen bijvoorbeeld de bewoners van Arauco of Araucania, terwijl de Araucaria een naar die streek genoemde specifieke dennenboom is, dus in mijn geschiedenisles hakten eeuwenoude dennenbomen wel eens lustig op het Spaanse invasieleger in), een uitdrukking verkeerd gebruikte of een onschuldige aansprak op de propjes papier die door het klaslokaal vlogen.

Latijns-Amerikakoorts
Het was niet de vrolijkste tijd uit het leven van deze toekomstige vertaler, maar hij moest zo nodig naar de missie, en dan met name naar Latijns-Amerika. Dat was niet zo vanzelfsprekend. Missionarissen uit Nederland werden bij voorkeur naar Engelssprekende landen uitgezonden, maar ik was bevangen door de Latijns-Amerikakoorts en moest en zou – en mocht – erheen. Wat ook niet meehielp was dat de tere ingewanden van een Hollandse jongen niet goed opgewassen bleken tegen de Chileense keuken. Het onhygiënische water, groenten die met vervuild water waren geïrrigeerd, bacteriën te over om zijn darmflora op stelten te zetten. Niets hielp, niet de afzakkertjes die de pater-directeur hem ’s avonds na het eten aanbood om de kwalijke effecten van het ongedierte te neutraliseren en ook niet de liters kruidenthee die zijn inwendige tot rust moesten brengen. Paradoxaal genoeg zou die permanente staat van ontregeling me uiteindelijk nog goed uitkomen. Na een paar maanden constateerde de dokter dat ik aan een goedaardige vorm van geelzucht leed. Goedaardig of niet, ik moest wel in quarantaine, het bed in.

Sinaasappels
Ik ben tien jaar en lig in bed. Als op woensdagmiddag de bel gaat, doet mijn moeder open. De kamerdeur gaat open en ze komt met iemand binnen. Ik zie niet wie want er hangt een geïmproviseerd gordijn om mijn bed. Een onduidelijke ziekte, bloedspuwingen, hoge koorts, misschien wel besmettelijk, dacht de dokter. Het gordijn moet de rest van ons kinderrijke gezin voor die besmetting behoeden. ‘Kijk eens wie je nou komt bezoeken!’ doet ze opgewekt. De meester! Een fijne meester, de fijnste meester van de wereld. Een stevige, grijzende man met vriendelijke ogen. Hij brengt een grote zak sinaasappels mee. Daar moet ik aan denken als pater Patricio de deur van mijn isolatiekamer binnen komt. Een beetje schuchter. In niets lijkt hij op de meester van toen. We zijn vreemden voor elkaar. Zo’n twee maanden lang had ik geen ander contact met de buitenwereld dan via de ziekenpater die mij dagelijks bezocht, mijn eten bracht en moeizaam gesprekken probeerde te voeren. En via de radio en de krant die ik op mijn kamer kreeg. Maar het gaf me de gelegenheid om mijn Spaans op te krikken, kansen die ik met de spreekwoordelijke beide handen aannam. Afijn, lichamelijk verzwakt maar linguïstisch versterkt mocht ik het na twee maanden weer proberen.

Gelauff[Chili2]

Zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet. Eerst een tijdje op het secretariaat, presentielijsten bijhouden, staatjes invullen, ouders te woord staan, briefjes en mededelingen verzenden, ’t gaat, met horten en stoten. Het door zelfstudie geleerde in de praktijk brengen. Hoe vaak je dan niet op het juiste woord kunt komen, de ander niet goed verstaat, de dubbele betekenis van woorden en uitdrukkingen niet doorziet! In elke taal bestaat er zoiets als een ongesproken, mentale taal, waarin je van kinds af aan leert je ideeën, je waarnemingen, je associaties in woorden weer te geven. Word je in het diepe van een nieuwe taal gegooid, dan moet je dat hele proces opnieuw doormaken, maar nu in voortdurende wisselwerking met de taal waarin je eerder had geleerd je uit te drukken. Ik wilde doorzien hoe de anderen tot hun woorden, hun taal waren gekomen, de logica, de verbanden begrijpen. Maar op het moment zelf heb je geen tijd om rustig verbanden te gaan leggen; je moet acuut reageren, de volle reikwijdte van je eigen uitingen voorzien. Gekmakend. Ik begon te begrijpen waarom kleine kinderen zo onredelijk driftig kunnen worden als ze niet duidelijk kunnen maken wat ze willen, wat ze bedoelen. Dezelfde drift, woede, frustratie overviel mij meer dan eens.

Gringo go home
Het was de tijd waarin ‘gringo’s’ die Spaans zongen erg in zwang waren. Zo’n lekker vet Amerikaans accent! Zolang leerlingen mij vroegen waarom ik dát niet ging doen – de Chileense meisjes zouden als vliegen op me afkomen, verzekerden ze me –, wist ik dat er nog veel op mijn uitspraak aan te merken was. Het was ook de tijd van gringo go home!, dus dat wat ’t laatste wat ik wilde zijn. Maar eenmaal een gringo altijd een gringo, ook al was het in mijn geval een goedbedoelde bijnaam. Naarmate vocabulaire en grammatica vooruit gingen (wanneer de verleden tijd en wanneer de onvoltooid verleden tijd, hoe zit het met voorwaardelijk en met subjunctief als er geen hulpwerkwoorden worden gebruikt?) werd het dus zaak meer op geslacht en op uitspraak te letten. Oefenen op de rollende tong-r, die mijn Haagse keel-r moest vervangen, de ‘droge’ t in plaats van de geaspireerde Nederlandse th, el foco is de schijnwerper en la foca de zeehond, en bij een mannelijk zelfstandig naamwoord hoort een mannelijk lidwoord, maar het is wel la foto en el dia

Twee jaar jongensinternaat was dan misschien geen pretje, mijn Spaans begon wel ergens op te lijken. Toegegeven, mijn toegenomen zelfvertrouwen kreeg tijdens de daarop volgende theologieopleiding weer een forse knauw, want een heel nieuw register diende zich aan. Dat van de filosofische abstractie en de theologische argumentatie. Weer onderzoeken waar begrippen vandaan komen, wat hun intrinsieke betekenis is, hoe de Spaanstalige geest ze verwerkt, en dan proberen diezelfde weg af te leggen om ze je werkelijk eigen te maken. In latere jaren zou het me vaker overkomen. Iedere nieuwe wending in het – werkzame – leven, waarin Spaans altijd een grote rol zou spelen, leverde een nieuw begrippenkader, nieuw taalgebruik, een nieuw register op. Pas laat kwam ik eraan toe al die opgestapelde kennis te gaan gebruiken om ‘echt’ te gaan vertalen. Om er op de Vertalersvakschool achter te komen dat ik nog maar aan het begin stond. Het leren houdt nooit op.

Tags:

Antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *


*