De modder voorbij

Bijna twee jaar geleden schreef ik op dit blog een artikel over persklaarmakers, gezien vanuit het standpunt van de boekvertaler. In dat artikel, getiteld ‘Met mijn poten in de modder’, luchtte ik (in een enigszins satirische stijl) mijn frustraties over domme opmerkingen van slechte persklaarmakers en voorgestelde verbeteringen die in werkelijkheid verslechteringen zijn.

Op dat blogartikel heb ik nogal wat reacties gekregen, zowel van collega’s als van uitgeverijen, en ook een enkele persklaarmaker waagde het uit de anonimiteit te treden en contact met mij op te nemen. Bovendien wilde het toeval dat ik juist in de periode direct na het verschijnen van het artikel een aantal bijzonder goed persklaargemaakte manuscripten in mijn brievenbus vond.

correctie door persklaarmaker

Statistiek is in het individuele geval betekenisloos. Ik weet dus niet of ik in de jaren vóór de verschijning van het artikel gewoon de pech heb gehad een onevenredig aantal slechte persklaarmakers tegen te komen, of dat de uitgeverijen waarvoor ik werkte na het verschijnen van het artikel het toeval soms een handje hebben geholpen. Hoe dat ook zij, ik heb telkens wanneer ik zo’n vakkundige persklaarmaker trof, onmiddellijk haar naam opgevraagd bij de uitgever (het waren allemaal vrouwen), haar een bedankmail gestuurd en haar mailadres toegevoegd aan mijn bestand met goede persklaarmakers. Ook beveel ik tegenwoordig bij het inleveren van een manuscript ongevraagd een paar persklaarmakers aan bij de uitgeverij, al vergeet ik dat helaas ook wel eens.

Kortom, de meeste modder ligt nu wel achter mij en de persklaarmaakfase is allang geen strafexercitie meer. De situatie is lang niet zo hopeloos als ik in maart 2007 meende: er zijn meer goede persklaarmakers dan ik toen dacht.

Talent en honorering
Er is wel een ander probleem. Een goede persklaarmaker beschikt per definitie over veel taalgevoel, en dergelijke mensen willen doorgaans méér met dat talent doen dan alleen andermans werk corrigeren. Goede persklaarmakers doen dan ook vaak hun best om zelf vertaler te worden, of ander werk te zoeken dat meer prestige heeft dan het hanteren van de rode pen. Dat gun ik ze van harte, maar het maakt het wel noodzakelijk om voortdurend actief naar nieuwe goede persklaarmakers te blijven speuren.

En niet alleen het ontplooien van de eigen creativiteit is een reden waarom persklaarmakers graag doorschuiven naar ander werk. Een andere belangrijke reden is dat persklaarmaakwerk uiterst beroerd betaald wordt. Vertalers klagen vaak over hun slechte honorering, maar die is altijd nog tienmaal zo hoog als de beschamende fooi die de persklaarmaker ontvangt voor zijn intellectueel inspannende en uiterst nuttige werk. En dat ‘tienmaal’ mag u zo ongeveer letterlijk opvatten.

Tags: ,

  1. Wat een goed stuk, Wim. Ook je eerdere bijdrage over het onderwep heb ik nu gelezen. Bij mijn eerste literaire vertaling trof ik een zeer kundige persklaarmaker die me bovendien met zijn rode pen (het was een man) een compliment maakte bij een bepaalde passage (‘mooi vertaalde alinea’). Na lezing van dit stuk begrijp ik dat het ook anders kan.

  2. Prima stuk, Wim. Het is jammer dat persklaarmakers zo slecht betaald worden, want hun werk is, mits goed gedaan, zeer waardevol als aanvulling op het vertalen. Maar net als met vertalers is de kwaliteit van hun werk zeer wisselend, en dat kunnen de uitgeverijen zich aantrekken. Uiteindelijk zijn zij degenen die de keuzes maken. Ik herinner me nog een persklaarmaker die een hele theorie had over het bijvl. nw half. Het was een tamelijk vergezochte theorie die met het wel of niet aan elkaar schrijven te maken had en die ik maar volgde, omdat de uitgeverij aangaf zo’n vertrouwen te hebben in de desbtreffende pkm. Maar in volgende boeken werd die theorie door weer andere pkm’s afgeslacht door middel van dikke rode strepen door mijn “halfjes”. Ja, zo leert je het als vertaler natuurlijk nooit…

Antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *


*